Anderhalve maand na de Iraanse verkiezingen verstomd het geluid van de oppositie gestaag. Eerst klaagde Moussavi over gestolen verkiezingen, een grote beschuldiging. Daarna zwakte het af naar een ongeldige hertelling, daarna naar een onjuist verbod op demonstraties, nu over het toestaan van een rouwceremonie. Het ambitieniveau daalt aanzienlijk. Hoewel Rafsajani in zijn vrijdaggebed zijn retoriek in stand houdt, lijken er weinig daden aan vast te zitten. Rafsanjani – de enige die de afzettingsprocedure van Khamenei in gang zou kunnen zetten – houdt vooralsnog zijn kruit droog. Het woord van Khamenei blijkt kennelijk toch écht wet, en Moussavi en Rafsanjani lijken zich daar braafjes aan te houden.

Tegelijkertijd blijft de druk op de bevolking stevig toenemen. Een persoonlijk relaas op RFE/RL geeft een indringend beeld op het geweld van de Basij dat het dagelijks leven begint te domineren. Gepaard daaraan wordt de roep om geweld ook bij de oppositie steeds groter.

Dit weekend was er, ook in Amsterdam, een wereldwijde dag voor de solidariteit met Iraanse burgers. Een mooi initiatief, dat zeker. Maar in toenemende mate vraag ik me af: solidariteit met wie eigenlijk? Met Moussavi, een slecht spreker die een gestolen verkiezing voor lief neemt? Met Rafsanjani, een grote poppenspeler die amper zijn eigen rol en zijn kaarten durft te laten zien? Het enige wat dit gebrek aan initiatief lijkt te bereiken is dat de onvoorwaardelijke steun van Khamenei die Ahmedinejad genoot minder wordt. Maar dat zal snel weer over zijn als zij daadwerkelijk pogingen tot échte vernieuwing zouden ondernemen. Zij zijn degenen die hun eigen bevolking moeten meenemen naar een nieuw en democratisch(er) tijdsperk, maar hun leiderschapsrol blijft uit.